Recente ontwikkelingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding

VOOR IEDEREEN DIE DOOR DE BOMEN HET BOS NIET MEER ZIET: EEN UPDATE OVER NADEELCOMPENSATIE EN SCHADEVERGOEDING

Nadeelcompensatie en schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen

Op het gebied van de nadeelcompensatie en schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen zijn de afgelopen jaren een aantal interessante ontwikkelingen gaande. In de eerste plaats is er sinds juli 2013 een apart hoofdstuk over nadeelcompensatie opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht (titel 4.5, de artikelen 4:126 e.v. Awb). Dit hoofdstuk is nog steeds niet volledig in werking getreden. Alleen het gedeelte met betrekking tot onrechtmatige besluiten is in werking, het gedeelte met betrekking tot nadeelcompensatie nog niet.
Met betrekking tot het vorderen van schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen is titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht in de wet opgenomen. Deze titel is al in werking getreden en levert inmiddels interessante jurisprudentie op.
Wanneer de Omgevingswet in werking zal treden (de verwachting is op 1 januari 2021), zal daarin ook een hoofdstuk over nadeelcompensatie worden opgenomen. Deze betreft de mogelijkheden tot nadeelcompensatie op basis van het omgevingsrecht, o.a. de huidige planschade.
Tot 2021 is er dus sprake van een breed pallet van (toekomstige en huidige) mogelijkheden tot het indienen van een verzoek om nadeelcompensatie c.q. schadevergoeding. Het geheel is echter op dit moment, door allerlei nieuwe ontwikkelingen, allesbehalve overzichtelijk te noemen.
In deze publicatie zal worden getracht hierin meer duidelijkheid te scheppen.

1. Nadeelcompensatie
Nadeelcompensatie betreft schadevergoeding van de overheid wegens rechtmatig overheidshandelen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan omzetschade wegens wegwerkzaamheden of schade ten gevolge van op zich rechtmatige besluiten waardoor schade wordt geleden.
Het egalite-beginsel heeft in artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht een wettelijke basis gekregen. Zowel schade door rechtmatige besluiten als schade door rechtmatige feitelijke handelingen vallen onder deze (algemene)nadeelcompensatieregeling. De wetgever heeft in de Algemene wet bestuursrecht een algemene regeling over nadeelcompensatie opgenomen dat een belangrijke codificatie vormt van het nadeelcompensatierecht zoals deze zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld.

Titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht is nog (steeds) niet in werking getreden met betrekking tot nadeelcompensatie

Op dit moment bestaan er bij de diverse overheden nog verschillende nadeelcompensatieregelingen. Wanneer titel 4.5 van de Awb in werking zal zijn getreden (en dat is nog steeds niet gebeurd), is het de bedoeling dat deze regelingen overbodig worden en worden vervangen door de in de Algemene wet bestuursrecht opgenomen algemene regeling. Het in werking treden van deze in de Algemene wet bestuursrecht opgenomen (algemene) regeling laat nog enige tijd op zich wachten. Deels heeft dit te maken met de nieuwe Omgevingswet, waarvan ook een nadeelcompensatieregeling voor met name het omgevingsrecht zal worden opgenomen.

Het wetsvoorstel “Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten” ligt ter consultatie tot 18 mei 2018

Op 17 januari 2018 is het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en het nieuwe nadeelcompensatierecht voor consultatie ter inzage gelegd. Het geven van een reactie hierop is mogelijk tot 18 mei 2018.
In dit wetsvoorstel is de aanpassingswetgeving die nodig is voor de wetten die niet opgaan in de Omgevingswet opgenomen. Het bevat een aantal voorstellen tot aanpassing of intrekking van bijzondere nadeelcompensatieregelingen die niet onder het toepassingsbereik van de Omgevingswet vallen. Met de inwerkingtreding van afdeling 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht wordt immers een algemene rechtsgrondslag voor nadeelcompensatie gecodificeerd waardoor regelingen die op dezelfde grondslag berusten overbodig worden.
De wetten die zullen opgaan in de Omgevingswet, blijven uitgezonderd van de werking van titel 4.5 van de Awb. Hiervoor zal een speciale regeling worden opgenomen in de Omgevingswet. Dat betekent dat bijvoorbeeld ook planschade niet onder de regeling van titel 4.5 van de Awb gaat vallen. Voorlopig blijft de planschaderegeling zoals deze is opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening dus bestaan. De Omgevingswet gaat immers waarschijnlijk pas op 1 januari 2021 in werking treden.

2. Schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen
Naast de mogelijkheid van nadeelcompensatie (schadevergoeding wegens rechtmatig overheidshandelen), bestaan er ook mogelijkheden tot schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen. Sinds 1 juli 2013 is het, op basis van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten mogelijk, om een verzoek in te dienen tot vergoeding van schade, gelegen door onrechtmatige besluiten en daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen. Dit gedeelte van afdeling 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht is al wel in werking getreden en levert al de nodige interessante jurisprudentie op.

a. Procedure indienen verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen
Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht biedt de mogelijkheid tot het voeren van een bestuursrechtelijke verzoekschriftprocedure met betrekking tot schadevergoeding. Voordat de procedure bij de rechter aanhangig wordt gemaakt, dient eerst een verzoek te worden gericht aan het betreffende overheidsorgaan om de geleden schade te vergoeden. Het verzoek kan worden gezien als een soort van ingebrekestelling (vergelijkbaar met een ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen). De belanghebbende moet tenminste acht weken voor het indienen van het verzoekschrift een verzoek om schadevergoeding indienen bij het betrokken bestuursorgaan.
Mocht hierop niet of afwijzend worden gereageerd, dan kan een verzoekschrift bij de bevoegde rechter worden ingediend om de schade te vergoeden.

Het verzoek op basis van artikel 8:88 Algemene wet bestuursrecht kan worden ingediend bij schade als gevolg van :
a. Een onrechtmatig besluit; b. Een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit; c. Het niet tijdig nemen van een besluit; d. Een andere onrechtmatige handeling.
Het moet gaan om schade als gevolg van een onrechtmatig besluit of onrechtmatige voorbereidingshandelingen daarvan. Als een belanghebbende bij de bestuursrechter verzoekt om schadevergoeding wegens een (onrechtmatige) handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit, is daarmee de bevoegdheid van de bestuursrechter gegeven.
Het verzoekschrift dient te voldoen aan de in de wet genoemde eisen. Zo dient daarin de schadeoorzaak genoemd te worden en dienen de gronden van het verzoek aangegeven te worden. Maar voordat het verzoekschrift bij de rechter wordt ingediend moet eerst, zoals gezegd, aan het betrokken bestuursorgaan worden gevraagd om de schade te vergoeden. Pas daarna kan het verzoekschrift worden ingediend.
Er bestaan twee soorten verzoeken: a. het losse of zelfstandige verzoek (artikel 8:90 Awb) en b. het connexe verzoek (artikel 8:91 Awb). Het verzoek kan namelijk zowel tijdens (‘connex”) als los van het vernietigingsberoep of hoger beroep met betrekking tot het bestreden besluit worden ingediend. De procedure staat dus in principe los van het betreffende besluit.

b. Het verzoekschrift
Wanneer een belanghebbende, nadat een verzoek is ingediend bij het overheidsorgaan, zich tot de rechter wendt, dient dit te gebeuren middels een verzoekschrift. Overeenkomstig de eisen die daaraan in artikel 8:92 Awb gesteld worden, dient het verzoekschrift tenminste het volgende te bevatten:’
a. Ondertekening; b. Naam en adres verzoeker; c. Dagtekening; d. Schadeoorzaak e. Aard van de schade; f. Omvang van de schade en specificatie; g. De gronden van het verzoek.
Bij het verzoekschrift dient een afschrift van het schadeveroorzakende besluit en een afschrift van de aan het overheidsorgaan verzonden ingebrekestelling gevoegd te worden.

c. Welke rechter is bevoegd?
Bij vorderingen tot maximaal € 25.000 is er in de meeste gevallen een keuzevrijheid: het verzoek kan worden ingediend bij de bestuursrechter of de burgerlijke rechter. Tenzij het gaat om o.a. het ambtenarenrecht, het belastingrecht of het vreemdelingenrecht. In dergelijke gevallen is er sprake van een exclusieve bevoegdheid van de bestuursrechter.
In alle andere gevallen is de bestuursrechter bevoegd voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000 bedraagt, maar kan er ook voor worden gekozen om het verzoekschrift in te dienen bij de burgerlijke rechter.
Vorderingen vanaf € 25.000 moeten altijd worden ingediend bij de burgerlijke rechter.

Uit jurisprudentie is inmiddels gebleken, dat ervoor kan worden gekozen om eerst € 25.000 te vorderen bij de bestuursrechter en (eventueel) later de rest bij de burgerlijke rechter (ECLI:NL:RVS:2017:2081 – Interbest). De stelling dat er sprake is van een onrechtmatig besluit is voldoende voor de bevoegdheid van de bestuursrechter (vgl. objectum litis- leer van de Hoge Raad).
Bij een dergelijke “knip” van de vordering is de burgerlijke rechter echter later niet gebonden aan het oordeel van de bestuursrechter met betrekking tot de vordering boven het bedrag van € 25.000. Daarover oordeelt de burgerlijke rechter zelfstandig en kan dus in theorie tot een andere uitkomst leiden.

d. Formele rechtskracht
In principe kan de onrechtmatigheid van een besluit worden afgeleid uit een vernietiging, herroeping of intrekking. Wanneer dit niet het geval is, is er in het algemeen sprake van formele rechtskracht. De vraag kan rijzen of er sprake is van een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er sprake van is dat het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van het schadeveroorzakende besluit heeft erkend. Dit kan een reden voor belanghebbende zijn geweest om geen beroep in te stellen tegen het betreffende besluit. Het hangt steeds van de concrete feiten en omstandigheden af of er sprake is van een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht en/of dat er een reden aanwezig was om niet in bezwaar en beroep te gaan.

Jurisprudentie
Met betrekking tot de schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad is de volgende lijn in de jurisprudentie te ontdekken.

Causaal verband
In principe staat met de vernietiging van het besluit de onrechtmatigheid daarvan vast. Of er al dan niet sprake is van een schadevergoedingsplicht hangt van diverse factoren af. Zo is het bijvoorbeeld bij een vernietiging van een besluit tot weigering van een vergunning nog maar de vraag of er altijd sprake is van een schadevergoedingsplicht. Niet beslissend is namelijk, of het bestuursorgaan de vergunning rechtmatig had kunnen weigeren, maar de vraag welk besluit het zou hebben genomen indien wel overeenkomstig de wet zou zijn beslist. De Hoge Raad zit op deze lijn sinds het arrest Milieuvergunning stoeterij Hengelo, (ECLI:NL:HR:2016:1112).
Ook de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is hierin helder. In de uitspraak inzake Biolicious (ECLI:NL:RVS:2016:3462) geeft de Afdeling aan, dat het niet langer doorslaggevend is of het bestuursorgaan een rechtmatig besluit had kunnen nemen dat naar aard en omvang dezelfde schade tot gevolg zou hebben gehad, maar dat het bestuursorgaan tevens aannemelijk moet maken dat dat besluit ook daadwerkelijk zou zijn genomen.

Relativiteit
Wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, wordt niet voldaan aan de relativiteitseis en bestaat er geen recht op schadevergoeding. In het algemeen wordt deze norm door de civiele rechter strikter gehanteerd dan door de bestuursrechter (vgl. HR 7 mei 2004 (Duwbak Linda) en HR 13 april 2007 (Iraanse vluchteling) en ABRvSt 28 juli 2010 (Nuthse geluidhinder)).

Processuele connexiteit
Zolang de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten nog niet in werking is getreden met betrekking tot de exclusieve bevoegdheid van de bestuursrechter over besluiten tot een verzoek om schadevergoeding van schadevergoeding/nadeelcompensatie als gevolg van (feitelijk) handelen door een bestuursorgaan, blijft de eis van processuele connexiteit gelden. De bestuursrechter is slechts bevoegd om kennis te nemen van beroepen tegen een zuiver schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de gestelde schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Dit is (nogmaals) bevestigd in een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:480.
Anderzijds biedt de uitspraak van de Rechtbank Limburg d.d. 18 januari 2018 (ECLI:NL:RBLIM:2018:373) toch enige ruimte om van de eis van processuele connexiteit af te wijken, vooruitlopende op het in werking treden van Titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht. In dat geval was ervoor gekozen om geen splitsing te maken tussen het nadeel dat is veroorzaakt door besluiten en nadeel dat is veroorzaakt door rechtmatig overheidshandelen van feitelijke aard en deze benadering wordt door de Rechtbank gevolgd.

Normaal maatschappelijk risico
Bij het indienen van met name een verzoek om nadeelcompensatie en planschade is de vraag of er al dan niet sprake is van een normaal maatschappelijk risico relevant. Met betrekking tot de vraag of er al dan niet sprake is van een normaal maatschappelijk risico is in de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de volgende tendens waarneembaar:
– Standaardoverweging van de Afdeling is hierbij vaak (vgl. ABRvSt 16 november 2011, ABRvSt 15 juni 2016): ”bij het normaal maatschappelijk risico gaat het om algemene maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen waarmee men rekening kan houden – ook al bestaat geen zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze zich zal concretiseren en de omvang van de nadelen die daaruit eventueel zullen voortvloeien”.

– Er is sprake van een normale maatschappelijke ontwikkeling, die in de lijn der verwachtingen lag (omdat de ontwikkeling past binnen de structuur van de omgeving en past binnen het (ruimtelijke) beleid van de overheid. Desondanks kan schade uitstijgen boven het normaal maatschappelijk risico wanneer sprake is van onevenredig zware schade.

– Het bestuursorgaan heeft beoordelingsruimte: vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan.

– Een vaste drempel of korting komt de rechtszekerheid ten goede, maar onverkorte toepassing in het concrete geval moet gemotiveerd worden indien de door de benadeelde verschafte gegevens daartoe aanleiding geven.

– De motiveringsplicht is in het algemeen zwaarder naarmate het gehanteerde percentage hoger is.

– De bestuursrechter toetst de motivering van het bestuursorgaan en kan, indien de gegeven motivering niet volstaat, zelf bepalen welke drempel of korting redelijk is (vgl. ABRvSt 5 december 2012 (Wouwse Tol), ABRvSt 5 juni 2013 (Hollandse Brug) en ABRvSt 15 juni 2016 (Cassandraplein).

– Er bestaat een tendens naar een hogere, maar wel goed gemotiveerde 5%-drempel bij waardevermindering door aantasting van woongenot (vgl. de in de Omgevingswet opgenomen drempel). Anderzijds bestaat er een tendens naar lagere omzetdrempels voor inkomensschade bij infrastructurele werkzaamheden (8% i.p.v. 15%).

– Wanneer het in de lijn der verwachtingen ligt dat er woningbouw zal gaan plaatsvinden, bijvoorbeeld in een dichtbebouwd gebied, zal de drempel meestal hoger zijn dan de wettelijke forfaitaire drempel van 2 %. Een voorbeeld daarvan is de situatie bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 7 maart 2018, nr ECLI:NL:RVS:2018:772, waarin het normaal maatschappelijk risico is vastgesteld op 3,5 % van de waarde van het object voor de planologische ontwikkeling. In deze uitspraak wordt door de Raad van State nog eens helder aangegeven wanneer er al dan niet sprake is van voorzienbaarheid: “De voorzienbaarheid van een planologische wijziging dient beoordeeld te worden aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing, bijvoorbeeld ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak, voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met een concreet beleidsvoornemen dat openbaar is gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat dat beleidsvoornemen een formele status heeft. Om op grond van een concreet beleidsvoornemen voorzienbaarheid te kunnen aannemen, moet een redelijk denkend en handelend koper uit de openbaarmaking daarvan kunnen begrijpen op welk gebied dat beleidsvoornemen betrekking heeft, wat de zakelijke inhoud ervan is, en dat hij van de inhoud ervan kan kennis nemen.”

3. Planschade
De planschaderegeling, zoals deze is opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening, blijft voorlopig nog even gelden, in ieder geval tot het in werking treden van de Omgevingswet (plm. 2021).
Ook in de jurisprudentie met betrekking tot planschade is een tendens waarneembaar waarbij het percentage, dat niet wordt vergoed en dat wordt gerekend tot het zgn. normaal maatschappelijk risico, steeds hoger wordt. In de bij de Omgevingswet behorende Invoeringswet, is hiervoor overigens een percentage van vijf procent opgenomen.
Uit diverse uitspraken blijkt, dat de rechter meer lijn probeert aan te brengen in de discussie over het normaal maatschappelijk risico en daarbij voorspelbare drempels gaat hanteren. Schade onder de minimumdrempel van twee procent, zoals opgenomen in de planschaderegeling van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.2), komt ook buiten het planschaderecht steeds meer voor eigen rekening. In sommige gevallen wordt zelfs een drempel van vijf procent acceptabel geacht. Het lijkt erop dat hier al wordt geanticipeerd op de regeling zoals deze in de Omgevingswet zal worden opgenomen.

Overzichtsuitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 28 september 2016
Met betrekking tot planschade heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak d.d. 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582) op overzichtelijke wijze aangegeven aan welke eisen een planschadeverzoek dient te voldoen om in aanmerking te komen voor vergoeding van planschade.

De Afdeling besteedt hierin onder meer aandacht aan de volgende aspecten:
a. De limitatieve opsomming van schadeoorzaken, zoals opgenomen in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening; b. Normaal maatschappelijk risico; c. Rechtstreeks oorzakelijk verband; d. Voorzienbaarheid; e. Actieve en passieve risicoaanvaarding; f. De rol van de onafhankelijke deskundige.

Gevolgen van de Omgevingswet met betrekking tot nadeelcompensatie

Wanneer de Omgevingswet in werking zal treden zal dit ook gevolgen hebben voor de nadeelcompensatiemogelijkheden in het omgevingsrecht. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de regeling over planschade.
Hoofdstuk 15 van de Omgevingswet is gereserveerd voor schade en zal onder meer een afdeling bevatten over planschade en nadeelcompensatie.

Hoofdstuk 15 is opgebouwd als volgt:
a. Afdeling 15.1: nadeelcompensatie

b. Afdeling 15.2: schadevergoeding gedoogplichten

c. Afdeling 15.3: schadeloosstelling onteigening

d. Afdeling 15.4 e.v.: bijzondere schaderegelingen

Afdeling 15.1 gaat over planschade en nadeelcompensatie. De algemeen gehanteerde term daarvoor wordt “nadeelcompensatie”. Titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht blijft de basis voor nadeelcompensatie. Afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt “lex specialis” ten opzichte van titel 4.5 van de Awb. In de Invoeringswet zal deze regeling verder worden aangevuld.

Invoeringswet
In de Invoeringswet is onder meer het overgangsrecht opgenomen met betrekking tot de Omgevingswet. Dit overgangsrecht zal verder worden uitgewerkt in het Invoeringsbesluit en de Invoeringsregeling. Tevens wordt in de Invoeringswet het onderwerp “schade” (hoofdstuk 15 van de Omgevingswet) verder uitgewerkt.
In hoofdstuk 15 wordt opgenomen dat, als een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak op grond van de Omgevingswet schade veroorzaakt, titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht alleen van toepassing is in een aantal, in artikel 15.1 limitatief opgesomde gevallen.
Het gaat hierbij o.a. om planschade. In de wet wordt vastgelegd dat een deel ter grootte van vijf procent van de waarde van de onroerende zaak wordt aangemerkt als normaal maatschappelijk risico als bedoeld in artikel 4:126 van de Awb. Dit deel wordt niet vergoed.
Ook nieuw is dat het moment waarop de omgevingsvergunning wordt verleend bepalend is voor het vaststellen van de omvang van de schade. Straks is dus niet meer het al dan niet aanwezig zijn van een bestemmingsplan bepalend, maar het moment waarop de omgevingsvergunning wordt verleend.

Bij het vaststellen van de omvang van de schade wordt de waarde van de onroerende zaak of de hoogte van het inkomen of de omzet op basis van de feitelijke situatie vergeleken met de situatie die op grond van de vergunning mogelijk is. Op deze manier kan de omvang en de hoogte van de schade direct na het verlenen van de omgevingsvergunning worden bepaald.

Met betrekking tot het indienen van de aanvraag om nadeelcompensatie bepaalt artikel 4:127 van de Awb onder meer, dat deze de schadeveroorzakende gebeurtenis, het bedrag van de schade en een specificatie daarvan moet inhouden. Deze eisen gelden ook voor afdeling 15.1 van de Omgevingswet. Een aanvraag hoeft geen deskundigenrapport te bevatten.

In de Omgevingswet worden de mogelijkheden tot nadeelcompensatie ingeperkt vergeleken met titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 15.1 van de Omgevingswet bevat een limitatieve opsomming van schadeoorzaken. Dit is een belangrijk verschil met artikel 4:126 van de Awb. Op grond daarvan kan namelijk op grond van elk handelen door de overheid in het kader van een rechtmatige uitoefening van haar taak of bevoegdheid om schadevergoeding worden verzocht. Titel 4.5 van de Awb biedt daarom meer mogelijkheden tot schadevergoeding dan de Omgevingswet.

Slot
Het zal naar verwachting nog enige jaren duren voordat het hele stelsel van het omgevingsrecht zijn definitieve vorm gaat krijgen. De contouren daarvan zijn nu al zichtbaar maar we zullen nog even geduld moeten hebben voordat het volledige (nieuwe) schadevergoedingsrecht in werking zal zijn getreden. Dit laat onverlet dat er ook nu al interessante mogelijkheden zijn om gebruik te maken van de mogelijkheden die de Algemene wet bestuursrecht daarvoor biedt. Het is in ieder geval een uitdaging om deze te benutten en de jurisprudentie met betrekking tot het schadevergoedingsrecht ook de komende jaren te volgen en vorm te geven.

Maart 2018
mr drs M.M.H. Schulte LL.M, advocaat
MS Advocatuur en Mediation
www.msadvocatuur.nl

Copyright © 2018 M.M.H. Schulte

SCHADE DOOR GASWINNING? MELD HET VANAF 19 MAART 2018 BIJ DE TIJDELIJKE COMMISSIE MIJNBOUWSCHADE GRONINGEN!

Sinds kort is er eindelijk meer duidelijkheid over waar u terecht kunt om uw schade te melden.  Minister Wiebes heeft hiervoor op 31 januari 2018 een nieuw schadeprotocol opgesteld. Vanaf 19 maart 2018 kunt u als gedupeerde uw schade melden bij de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen.
Aanvragen zullen in het vervolg worden behandeld door een onafhankelijke Commissie, waarbij niet langer de NAM, maar deze Commissie bepaalt of uw schade voor vergoeding in aanmerking komt.

Het lijkt erop dat er nu eindelijk schot in zit en dat Groningers die de dupe zijn geworden van jarenlange gaswinning in dit gebied, zullen krijgen waar zij recht op hebben: een volledige vergoeding van de geleden schade. De Groningers zijn al te lang aan het lijntje gehouden, het is tijd voor actie!

Heeft u schade en bent u van plan om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen? Laat u dan bijstaan door MS Advocatuur en Mediation.

Mr drs Marleen Schulte LL.M is advocaat en heeft veel ervaring en kennis op het gebied van schadevergoeding en nadeelcompensatie.  Informeer naar het gunstige tarief voor het indienen van de aanvraag tot schadevergoeding,  tot en met het besluit op de aanvraag, waarbij u juridisch begeleid zult worden tijdens de gehele procedure.

Wilt u meer informatie over de aanvraagprocedure? Neem dan contact met mij op per mail ([email protected]) of telefonisch (06 373 55 984). U wordt rechtstreeks door mij te woord gestaan. Ik ben elke dag bereikbaar tot 21.00 uur (ook in het weekend).

Vragen over onteigening?

Onteigening is een langdurig en ingewikkeld proces. Meestal gaat het ook gepaard met emoties. Niemand zit erop te wachten dat grond wat al sinds jaar en dag in het bezit is van je familie en wat heeft geleid tot een mooi agrarisch bedrijf,  verkocht moet worden omdat de overheid de grond nodig heeft voor bijvoorbeeld woningbouw of de aanleg van een weg.

Wanneer u hiermee wordt geconfronteerd is het belangrijk om u te laten bijstaan door deskundige adviseurs en een advocaat gespecialiseerd in het onteigeningsrecht. Het is goed om te weten dat de kosten van bijvoorbeeld een onteigeningsadvocaat in principe altijd volledig worden vergoed. Dus schakel vooral een goede advocaat in om u in dit proces te laten adviseren.

MS Advocatuur en Mediation beschikt over de daarvoor benodigde kennis en wil u daarin graag begeleiden. Neem dus vrijblijvend contact op om u hierover te laten adviseren. Marleen Schulte is advocaat, gespecialiseerd in het onteigeningsrecht en wil u graag informeren over de mogelijkheden en aandachtspunten die voor u van belang zijn wanneer u te maken krijgt met onteigening.

Meer informatie over onteigeningsprocedures? Kijk ook op de website van de Vereniging van Onteigeningsadvocaten (www.onteigenings-advocaten.nl).

 

 

 

Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State doet belangrijke uitspraak over de bevoegdheid van de bestuursrechter bij schadeclaims

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 2 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2081)  een belangrijke uitspraak gedaan inzake de bevoegdheidsverdeling bij schadeclaims wegens onrechtmatige (overheids)daad. Door een verzoeker om schadevergoeding was het bedrag van de gevraagde vergoeding beperkt tot een bedrag van € 25.000,–; dit terwijl er in werkelijkheid sprake was van een hoger schadebedrag. Het bedrijf in kwestie heeft zich het recht voorbehouden om voor zover er sprake is van meer schade, daarvoor een vordering bij de burgerlijke rechter in te stellen. De Afdeling bepaalt, dat zij in dit geval bevoegd is om hierover een uitspraak te doen.

Belanghebbenden hebben op basis van artikel 8:89, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht namelijk de keuze om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen bij ofwel de bestuursrechter (mits de gevraagde vergoeding maximaal € 25.000,– bedraagt), ofwel bij de burgerlijke rechter. Overigens, mocht het schadebedrag dat hoger is dan € 25.000,– naderhand aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd, dan beslist deze daarover zelfstandig en is daarbij niet gebonden aan het oordeel van de bestuursrechter.

Deze uitspraak geeft daarom meer duidelijkheid over de mogelijkheden tot het vragen van schadevergoeding bij onrechtmatig handelen van de overheid. Wanneer het schadebedrag beperkt is tot een bedrag van € 25.000,– kan dit worden voorgelegd aan de bestuursrechter, ook als daarna voor het hogere schadebedrag verder wordt geprocedeerd bij de burgerlijke rechter.

Belangrijk is wel dat het gevorderde bedrag niet meer bedraagt dan € 25.000,–. Wanneer meer wordt gevorderd, is de bestuursrechter onbevoegd (vgl ABRvSt 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1050).

Mocht u vragen hebben over de mogelijkheden tot het indienen van een schadeclaim, of wilt u meer informatie over deze uitspraak? Neem dan contact op met mr drs Marleen Schulte van MS Advocatuur en Mediation.

 

 

 

 

Vragen over onteigening?

Wil de overheid uw grond aankopen of heeft u te maken met onteigening? Lees dan deze nieuwsbrief.

De overheid (meestal de gemeente) is verplicht om eerst te proberen om de grond van u aan te kopen middels normale onderhandelingen. Minnelijke verwerving verdient de voorkeur. Meestal lukt dit ook, maar in sommige gevallen wordt een onteigeningsprocedure gestart.
In dat geval is het goed om te weten hoe deze procedure verloopt.

Administratieve fase: het indienen van uw zienswijze bij de Kroon

De onteigeningsprocedure kent een administratieve fase en een gerechtelijke fase.
Tijdens de administratieve fase wordt door de overheid (gemeente, provincie) een verzoek ingediend bij de Kroon om een onteigeningsbesluit te nemen. Op de voorbereiding van het onteigenings-KB is de openbare uniforme voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dat betekent dat het ontwerp-besluit wordt gepubliceerd en dat u als belanghebbende daarover uw zienswijze kunt indienen.

Het is belangrijk dat u nu uw zienswijze indient, want wanneer u pas in de gerechtelijke onteigeningsprocedure uw bezwaren tegen de onteigening kenbaar maakt, is dat te laat. Het is dus belangrijk dat u zich ook in de administratieve fase van de onteigeningsprocedure laat bijstaan door een deskundige advocaat. Overigens worden de kosten daarvan, mocht het komen tot een gerechtelijke onteigeningsprocedure, in principe volledig aan u vergoed.

De Kroon toetst of de onteigening noodzakelijk is en of er geen sprake is van strijd met het recht.
Wanneer u het plan waarvoor wordt onteigend zelf kunt realiseren, is er bijvoorbeeld geen noodzaak tot onteigening.

Gerechtelijke fase: u wordt gedagvaard

Wanneer er sprake is van een Koninklijk Besluit (KB) tot onteigening, mag de overheid (bijv. de gemeente) gaan dagvaarden. Het is belangrijk om na de ontvangst van de dagvaarding zo snel mogelijk een advocaat in te schakelen. Er is namelijk weinig tijd om hierop te reageren middels een zgn. Conclusie van Antwoord. Hiervoor staat een termijn van slechts twee weken.

Mocht u behoefte hebben aan een juridisch advies of een oriënterend gesprek over onteigening, neem dan contact met mij op voor het maken van een afspraak.

Nadeelcompensatie Vijzelstraat/Vijzelgracht/Rode Loper

Onlangs zijn in Amsterdam de werkzaamheden in het kader van de herstructurering van de Vijzelweg/Vijzelgracht van start gegaan (het project “Rode Loper”). Deze werkzaamheden zullen, zoals het er nu naar uitziet, geruime tijd gaan duren en zal naar verwachting gepaard gaan met veel overlast en omzetverlies voor de ondernemers van de Vijzelgracht en Vijzelweg.

De gemeente Amsterdam beschikt over een speciale verordening voor nadeelcompensatie: de Verordening nadeelcompensatie Amsterdam. Lijdt u, als ondernemer, schade tegen gevolge van deze werkzaamheden? Dan kunt een beroep doen op deze regeling en een aanvraag om schadevergoeding indienen.

Waar moet u op letten wanneer u overweegt om een verzoek om schadevergoeding of nadeelcompensatie in te dienen?

Onderbouw uw aanvraag zoveel mogelijk met bewijsstukken. Stuur bijvoorbeeld jaarrekeningen mee waaruit blijkt dat er sprake is van een omzetdaling vergeleken met de jaren daarvoor. In bepaalde gevallen is ook een voorschot op de schadevergoeding mogelijk. Belangrijk is dat de aanvraag tijdig wordt ingediend, dat wil zeggen binnen vijf jaar nadat u op de hoogte bent geraakt van de schade. Anders kan er sprake zijn van verjaring.

Iedereen heeft een zeker normaal maatschappelijk risico. Wanneer de schade valt binnen dit normaal maatschappelijk risico wordt deze niet vergoed. De hoogte van dit bedrag wordt meestal door de betrokken overheid bepaald middels het opnemen van een drempelbedrag of een percentage van de geleden schade dat niet wordt vergoed. Ook is van belang in hoeverre er sprake is van voorzienbaarheid van de schade.

Wanneer er sprake is van een juridische eenheid met een ander bedrijf, dan dient de juridische eenheid als geheel de schade dragen; het normaal maatschappelijk risico dient te worden gerelateerd aan die juridische eenheid. Dit is vaste jurisprudentie. In een geval dat onlangs speelde bij de Raad van State, werd daarom de in verband met wegwerkzaamheden geleden schade beperkt vergoed (ABRvSt 12 oktober 2016, nr 2015 07071/1/A2).

Mocht u vragen hebben over de mogelijkheden voor het indienen van een verzoek om nadeelcompensatie of over de inhoud van de nadeelcompensatieregeling van de gemeente Amsterdam, neem dan contact op met advocaat Marleen Schulte van MS Advocatuur & Mediation (email: [email protected]). Zij is telefonisch bereikbaar op nr 06 373 55 984.

Vernietiging van vergunningen en onrechtmatige overheidsdaad

De Hoge Raad heeft zich hier al meerdere malen over uitgesproken: wanneer een vergunning wordt verleend maar deze wordt na verloop van tijd door de bestuursrechter vernietigd (bijvoorbeeld wanneer daartegen door derden beroep wordt ingesteld), dan kan de aanvrager van de vergunning op grond van onrechtmatige daad aanspraak maken op vergoeding van de schade die hij daardoor lijdt.
Immers, je mag ervan uitgaan dat de vergunning rechtmatig is verleend en dat het besluit stand zal houden in beroepsprocedures. Mocht dit niet het geval zijn, dan bestaat in de meeste gevallen recht op schadevergoeding van de overheid. Daarbij is overigens wel van belang, dat de overheid ook de vergunning zou hebben verleend, wanneer het wel overeenkomstig de wet zou hebben beslist.
Een besluit dat is vernietigd is in principe onrechtmatig, maar er is dan niet altijd sprake van schadeplichtigheid van de overheid. Daarbij is onder meer van belang het antwoord op de vraag, of de als gevolg van dat besluit geleden schade ook aan dat besluit kan worden toegerekend.
Of er daadwerkelijk sprake is van schadeplichtigheid is dus afhankelijk van een aantal factoren.

Mocht u zich afvragen of er in uw geval sprake kan zijn van een recht op schadevergoeding, neem dan contact op met Marleen Schulte van MS Advocatuur & Mediation ([email protected]).

Schadevergoeding voor agrariers bij overheidsmaatregelen

Agrariërs dienen in bepaalde gevallen gecompenseerd te worden bij overheidsmaatregelen

Bent u agrariër en heeft u te maken met overheidsmaatregelen ten gevolge van de Wet verantwoorde groei melkveehouderijen (Wvgm) of anderszins?

Het kan zijn dat deze maatregelen een zodanige inbreuk maken op uw ongestoord genot van eigendom, dat de overheid u hiervoor dient te compenseren middels schadevergoeding. In bepaalde gevallen kan er dan namelijk sprake zijn van strijd met artikel 1 van het EP.

Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) vloeit immers voort, dat artikel 1 EP niet alleen van toepassing is op onteigening (“expropriation”) of de feitelijke ontneming van eigendom (“de facto expropriation”) maar ook dat het ongestoord genot van eigendom (“the right to peaceful enjoyment of property”) valt binnen het toepassingsbereik van deze bepaling. Mocht dit zo zijn, dan bestaat er in bepaalde gevallen recht op schadevergoeding.
Laat u dus goed informeren wat de mogelijkheden zijn voor uw bedrijf.

Mocht u naar aanleiding hiervan vragen hebben, neem dan contact op met Marleen Schulte van MS Advocatuur & Mediation ([email protected]).

Schadevergoeding en nadeelcompensatie bij onrechtmatige besluiten

In het nieuwe jaar zijn er alweer een aantal interessante uitspraken gewezen door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin de mogelijkheden tot schadevergoeding opnieuw worden verduidelijkt. 

Mogelijkheden tot schadevergoeding op basis van onrechtmatige daad wanneer er sprake is van vernietiging van een besluit van de gemeente

Carwash De Achterhoek BV vordert via de civiele rechter schadevergoeding wegens vernietiging van een besluit van de gemeente, waarbij een weg ten onrechte aan het openbaar verkeer wordt onttrokken. De Rechtbank stelt het schadebedrag als gevolg van het onrechtmatige besluit vast op een bedrag van meer dan € 100.000,–. Het kan dus inderdaad lonen om de geleden schade in dergelijke gevallen (ook) te claimen op basis van onrechtmatige daad.

Nadeelcompensatie ten gevolge van het wegonttrekkingsbesluit

Door hetzelfde bedrijf wordt ook een verzoek om nadeelcompensatie bij de gemeente ingediend. Ook hier wordt een bedrag van plm. € 100.000,– toegekend. Tegen dit besluit wordt beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hierbij komt onder meer aan de orde de hoogte van het aandeel van deze vestiging van Carwash in de totale omzet van Carwash. Met name met betrekking tot de schadeberekening voor de wasstraat wordt het eerder door de gemeente toegekende bedrag gecorrigeerd. Dit resulteert er onder meer in, dat het eerder toegekende bedrag aan nadeelcompensatie wordt verhoogd.

Anderzijds is de Afdeling in dit geval van mening, dat het hier gaat om een normaal maatschappelijk risico. De benadeelde wordt echter wel gecompenseerd voor de geleden schade. Dat daarbij een drempel en een bepaalde korting is toegepast, is volgens de Afdeling in dit geval aanvaardbaar.

Mocht u deze uitspraak d.d. 18 januari 2017 willen nalezen: deze is te vinden op de website van de Raad van State (nr ECLI:NL:RVS:2017:127).

Schadevergoeding bij het ten onrechte weigeren van een bouwvergunning

Wanneer er sprake is van vernietiging van een besluit, bijvoorbeeld een weigering van een bouwvergunning, is er in principe sprake van een onrechtmatigheid en kan schadevergoeding worden gevraagd. Deze situatie deed zich voor in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State waarbij de gemeente Franekerdeel was betrokken (ECLI:NL:RVS:2017:79). De schade die het gevolg is van de vertraging van het verlenen van de bouwvergunning komt voor vergoeding in aanmerking, aldus de Afdeling. Er bestaat een voldoende rechtstreeks verband tussen de waardedaling van de woning en de weigering van de bouwvergunning. Deze verkoopschade kan worden toegerekend aan het besluit van de gemeente en komt (deels) voor vergoeding in aanmerking. Aan appellante wordt een bedrag van € 7.500,– aan schadevergoeding toegekend.

Mocht u meer informatie willen over de mogelijkheden tot schadevergoeding en/of nadeelcompensatie in dergelijke gevallen, neem dan vrijblijvend contact op met  Marleen Schulte van MS Advocatuur & Mediation ([email protected]).

 

 

Nieuwsbrief planschade

 

NIEUWSBRIEF PLANSCHADE

December 2016

Het jaar nadert haar einde: een mooi moment om de jurisprudentie over planschade in 2016 op een rij te zetten.

Op 28 september 2016 is door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een interessante uitspraak gedaan waarin de belangrijkste uitgangspunten die gelden bij planschade zijn opgenomen (ABRvSt 28 september 2016, ECLI:RVS:2016:2582). Hieronder zal een korte samenvatting worden gegeven van de aspecten die een belangrijke rol spelen bij de beoordeling of er al dan niet sprake kan zijn van een vergoeding van planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

Normaal maatschappelijk risico

Binnen het normaal maatschappelijk risico vallende schade wordt niet vergoed. Er is in ieder geval sprake van een drempel van minimaal twee procent van de schade (inkomensderving of waardevermindering), dat niet vergoed wordt. Of er al dan niet sprake is van normaal maatschappelijk risico, dient door het betreffende bestuursorgaan goed gemotiveerd te worden. Wanneer er een hoger percentage  dan twee procent als drempel wordt gehanteerd (bijvoorbeeld vijf procent of meer), dient dit extra gemotiveerd te worden.

Voorzienbaarheid

Wanneer de schade voorzienbaar is wordt het niet vergoed. De voorzienbaarheid van een planologische wijziging dient beoordeeld te worden aan de hand van het antwoord o*p de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing, bijvoorbeeld ten tijde van de aankoop van een woning, voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse ongunstiger zou worden. De voorzienbaarheid dient te worden vastgesteld op het moment van aankoop van de onroerende zaak en niet op het moment van levering.

Beslissend is of op het moment van de investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft. Dus belangrijk is om van tevoren goed te informeren naar de beleidsplannen.

Het bestuursorgaan mag in beginsel van het door een onafhankelijke en onpartijdige deskundige uitgebracht advies uitgaan

Wanneer er in opdracht van het bestuursorgaan een advies is uitgebracht door een deskundige (bijvoorbeeld Saoz), dan mag het bestuursorgaan in principe bij het nemen van een besluit op het verzoek om tegemoetkoming in de planschade van dat advies uitgaan.

Actieve risicoaanvaarding

Wanneer het bestuursorgaan een beroep doet op actieve risicoaanvaarding door de aanvrager, dan dient de aanvrager aannemelijk te maken dat hij zich voor het moment waarop de schadeoorzaak voorzienbaar werd definitief tot aankoop van de betreffende onroerende zaak had verplicht.

Passieve risicoaanvaarding

Wanneer het bestuursorgaan een beroep doet op passieve risicoaanvaarding, dan dient de aanvrager aannemelijk te maken dat hij op de peildatum de bij de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan vervallen planologische mogelijkheden van het perceel had benut dan wel concrete pogingen daartoe heeft gedaan.

Toetsing door de bestuursrechter

De vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan. Maar het antwoord op de vraag of er een oorzakelijk verband bestaat tussen de planologische verandering en de gestelde schade en het toetsen van het antwoord op de vraag of de planologische verandering ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak door de aanvrager voorzienbaar was, kan in principe volledig worden getoetst door de bestuursrechter.

Vergoeding van kosten

In het algemeen komen de kosten die de aanvrager met betrekking tot de indiening van de aanvraag heeft gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking. Maar de kosten die de aanvrager heeft gemaakt vanaf het moment dat de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige een concept-advies of een advies over de aanvraag aan het bestuursorgaan heeft uitgebracht tot het moment dat het bestuursorgaan een besluit op de aanvraag heeft genomen kunnen voor vergoeding in aanmerking komen indien het inroepen van bijstand redelijk was en de kosten voor het opstellen van een zienswijze redelijk zijn (de zgn. dubbele redelijkheidstoets).

Drempels

Uit recente jurisprudentie blijkt dat de rechter steeds meer lijn probeert aan te brengen in de discussie over het normaal maatschappelijk risico en de daarvoor geldende drempels. In steeds meer gevallen wordt ook een hogere drempel dan twee procent (o.a. een drempel van vijf procent) aanvaardbaar geacht. Waardevermindering van onroerend goed tot ca. vijf procent lijkt te worden beschouwd as relatief geringe schade. Mits goed gemotiveerd en rekening houdend met alle van belang zijnde omstandigheden van het geval kan dergelijke schade worden gezien als relatief gering van omvang welke behoort tot het normale maatschappelijke risico en dus niet wordt vergoed.

Voor het antwoord op de vraag of de planologische ontwikkeling in het plangebied in de lijn der verwachtingen lag, is de situatie ten tijde van de aankoop van de woning niet altijd van doorslaggevende betekenis (vgl. ABRvSt d.d. 11 juni 2014, nr 201306703/1/A2). De omstandigheid dat een planologische ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag betekent niet per definitie dat de gevolgen van die ontwikkeling volledig onder het normale maatschappelijke risico vallen. Daarbij speelt tevens een rol of de schade ten gevolge van een normale maatschappelijke ontwikkeling onevenredig is in relatie tot de waarde van de betrokken onroerende zaak (ABRvSt 4 juni 2014, nr 201303708/1/A2 en ABRvSt 3 juni 2015, nr 201409235/1/A2).

Mocht u vragen hebben over planschade of wilt u doorpraten over deze uitspraken, neem dan contact op met Marleen Schulte van MS Advocatuur & Mediation (www.msadvocatuur.nl), email: [email protected]).